Psalm 3a Domine quid multiplicati – Heer, hoe talrijk

Blad: 3v

Lees:

In rode inkt staat in het Latijn het opschrift van het eerste vers boven de eerste illustratie: Een psalm van/voor David, toen hij moest vluchten voor het aangezicht van zijn zoon Absolon.

Kijk:

Een groep gewapende ruiters achtervolgt een man, die een berg op vlucht en met zijn  hand een vragend gebaar maakt. Wie is die man en wie zijn de ruiters? Volgens het historische opschrift is de vluchtende man David, die door zijn zoon Absolom achtervolgd wordt. De geschiedenis van de opstand van Absolom wordt beschreven in 2 Samuel 15-19. De paarden zijn zeer fraai uitgebeeld en verhogen de agressieve sfeer van het beeld.

Bid: Vers 2-8

Kijk nog eens:

De man op de berg is de psalmist (David), die ondanks zijn talloze belagers zijn hoofd opheft en zijn stem tot God verheft, die gedacht word aanwezig te zijn boven op de berg. In 2 Samuel 15, 30-31 wordt verteld dat David de Olijfberg op ging en daar zijn gebed tot God richtte. De kunstenaar heeft de vijanden gemaakt tot de gewapende ruiters uit 2 Samuel.

De derde psalm is de eerste psalm die een opschrift heeft, waarin melding wordt gemaakt van de historische David. De kunstenaar laat hem deze eerste keer zien als een kleine, bedreigde en vluchtende man, die zijn heil boven op de berg bij God zoekt.

Lees verder bij Augustinus: klik hier.

Schrijf:

In de marge bij vers 2 schrijft de commentator: Hier klinkt de stem van Christus, de stem van David, de stem van de kerk en van iedere heilige. Is dit ook de stem van mij? David moet meemaken dat zijn eigen zoon Absolom tot zijn grote vijand wordt. Ken ik zelf vijanden, die tegen mij zijn gekant en wie zijn dat dan concreet? Hebben deze vijanden een plek in mijn gebed? Deel ik het godsvertrouwen van de psalmist?