Psalm 52a Quid gloriaris – Wat gaat gij toch groot

Blad: 64v

Lees:

Opschrift in rode letters: Tot het einde. Begrip voor David. Toen de Edomiet Dohec aan Saul bericht had en gezegd had: David is het huis van Achimelech binnen gegaan. Stem van Christus over Juda.

Het historische verhaal achter het opschrift is te lezen in 1 Samuël 21-22.

Bid: Vers 3-4

Kijk:

De psalmist in het midden maakt tegen een groene achtergrond met zijn hand, waarvan hij duim en ringvinger bij elkaar houdt, een merkwaardig gebaar in de richting van een man, die op een versierde klapstoel met voetbank zit en ook een spreekgebaar maakt. Wat is de intentie van het gebaar van de psalmist? Is het een spottend gebaar? Tegen een paarse achtergrond zijn een naakte man, van wie het geslachtsdeel onzichtbaar is gemaakt, en een naakte vrouw te zien. De man pakt de vrouw met zijn rechterhand bij haar schouder en met zijn linkerhand bij een borst. Zij houdt haar armen en benen afwerend bij elkaar. Het lijkt niet een vrijwillige ontmoeting te zijn. Achter de man staat een grote kelk. Wat is het verband met de psalmtekst?

Is de man op de klapstoel degene die door de psalmist in vers 3 wordt aangesproken met: beruchte geweldenaar, machtig heerschap (Gerhardt/van der Zeyde) of die machtig zijt in zondigheid (Latijn)? Of is het de Edomiet Doëg die voor koning Saul de priester Achimelek aanklaagt, zoals in het historische opschrift vermeld wordt? Is de verkrachtingsscène een verbeelding van de slechte daden en het onheil dat de psalmist de ander verwijt?

Bid: Vers 5-10

Schrijf: