Psalm 53 Dixit insipiens – De dwazen beweren

Blad: 65v

Lees:

Opschrift in rode letters op vorige bladzijde: Tot het einde. Voor Abimalech. Een onderwijzing van David. De profeet berispt de Joden en in geloof.

De beginwoorden van de psalm zijn in met inkt ingekleurde kapitalen geschreven.

Bid: Vers 2-4

Kijk:

Rechts in het beeld zit een vrouw op een rots met een bloot kind op haar schoot, dat zijn beide armen biddend uitstrekt. Samen met Christus, die vanuit de hemel naar de aarde kijkt, wijst zij naar het gruwelijke tafereel links. Een soldaat steekt zijn speer in de borstkas van een man die op de grond ligt; het bloed spuit er uit. Verder op sleept een soldaat een naakte vrouw aan de haren mee en staat op het punt haar met het zwaard te doden. De gruwelijk beelden zijn een illustratie voor hoe verfoeilijk de daden van de dwazen zijn, die beweren dat er geen God is, maar gaan niet direct terug op de tekst van de psalm. De kunstenaar maakt van de Heer Christus. Wie is de vrouw met het kind op haar schoot? Komt de psalm uit haar mond? Of is het Rachel uit de profeet Jeremia (31, 15) die klaagt om haar kinderen? Haar klacht wordt door de evangelist Matteüs (2, 18) geciteerd na de beschrijving van de kindermoord in Betlehem: Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.

Bid: Vers 5-8

Schrijf: