Psalm 78g vers 51-58

Blad: 93v

Bid: Vers 51-52

Kijk:

Dicht op elkaar gedrongen trekt het volk Israël door de woestijn (dat woord staat rechts in de kantlijn); als een kudde, zegt de psalmist. Wat opvalt is dat drie vrouwen voorop lopen, terzijde gestaan door met speren en schilden gewapende mannen. Rechts zitten twee vreemde wezens. Boven op een rots zit een beest, dat volgens het bijschrift een aap is. Rechts onder staat een figuur, die van boven mens is en van onder een bok; op zijn hoofd draagt hij horens en hij wijst naar het naderende volk. Volgens het bijschrift is het Pan, in de Griekse mythologie de god van het woud en patroon van de herders en hun kudden. In de bossen zorgde Pan voor veel mysterieuze geluiden die herders en hun kuddes vervulden met angst. Hetzelfde gold voor mensen op afgelegen plekken. Dit is de verklaring van het woord paniek. Beide wezens moeten in de ogen van de kunstenaar blijkbaar zichtbaar maken wat de woestijn voor een oord was voor het volk.

Bid: Vers 53

Kijk:

Terwijl het volk Israël veilig door de woestijn trekt, verbeeldt de kunstenaar hier het lot van de Egyptenaren, die het volk achterna waren gegaan over de drooggevallen bodem van de zee. mensen en paarden zijn door het terugstromende water overspoeld (Exodus 14, 26-28). Een grote zeeslang knabbelt in de verbeelding van de kunstenaar al aan het kadaver van een van de paarden. Boven de slang is nog het laatste stukje droge bodem te zien, dat als een pad wordt weergegeven. Dat alles gebeurt onder de hand van God.

Bid: Vers 54-58

Schrijf: