Psalm 14 Dixit insipiens – De dwazen beweren

Blad: 15r

Lees:

Opschrift in rode letters op de vorige bladzijde: Tot het einde. Een psalm van/voor David. Woorden van Christus tot de rijke, die hem vragen stelde over het Joodse volk.

Bid: Vers 1-2

Kijk naar de eerste afbeelding:

De kunstenaar heeft twee illustraties bij de psalm gemaakt, die op dezelfde bladzijde staan. In het eerste beeld ligt rechts een groep mensen, gehuld in dekens. Wat liggen ze te doen? Slapen ze? Ze hebben in ieder geval geen contact met boven. Bij hen zit een halfnaakte zwarte man op zijn knien met een Frygische muts op het hoofd. Wie is hij? Wie wel contact met boven heeft is de man die links zit. Met zijn linkerhand wijst hij naar de groep slapers en met zijn rechterhand maakt hij contact met een engel die uit de hemel komt en contact met hem maakt. Ze lachen naar elkaar. Boven de man schijnt de zon. Wie is hij? Is hij de psalmist of is hij die ene die nog vraagt naar God?

Bid: Vers 3a:

In de Latijnse versie van de psalm is vers 3 veel uitgebreider: Een open graf is hun keel. Met hun tongen handelen zij bedrieglijk. Het gif van adders is onder hun lippen. Hun mond is vol van kwaadsprekerij en vloeken. Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten. Droefheid en ongeluk op hun wegen en zij kennen de weg van de vrede niet. Zij hebben geen vrees voor God voor ogen.

Kijk naar de tweede afbeelding:

In het tweede beeld vlucht de psalmist in vliegende vaart met uitgestrekte handen een berg op, terwijl hij achterna wordt gezeten door twee bewapende soldaten. Het is een verbeelding van het uitgebreide derde vers in de Latijnse versie.

Bid: Vers 3b-7

Schrijf: